Hoofdstuk 6 Daniël in de leeuwenkuil [1] Daarna* kreeg Darius*, de Mediër, ongeveer tweeënzestig jaar oud, het koningschap. [2] Darius besloot over heel het rijk honderdtwintig* satrapen aan te stellen, die het hun toegewezen deel moesten besturen. [3] Boven de satrapen stelde hij drie rijksbestuurders* aan, waaronder Daniël; aan hen moesten de satrapen verantwoording afleggen om te voorkomen dat de rechten van de koning tekort gedaan zouden worden. [4] Daniël stak door zijn buitengewone begaafdheid ver uit boven de andere rijksbestuurders en de satrapen. Daarom dacht de koning erover hem aan te stellen over het hele rijk. [5] De rijksbestuurders en satrapen echter probeerden in de manier waarop hij de belangen van het rijk behartigde een bewijs te vinden voor een aanklacht tegen hem. Maar ze konden geen bewijs voor een aanklacht of een tekortkoming vinden. Daniël was onkreukbaar en er viel bij hem geen verzuim of vergrijp aan te wijzen. [6] Toen zeiden die mannen: ‘We zullen geen enkel bewijs voor een aanklacht tegen deze Daniël vinden, als we die niet zoeken in de wet van zijn God.’ [7] Daarom richtten de rijksbestuurders en satrapen zich nadrukkelijk tot de koning en zeiden: ‘Koning Darius, wij wensen u een lang leven! [8] Alle rijksbestuurders, gouverneurs, satrapen, raadsheren en landvoogden zijn van mening dat de koning een besluit bekend moet maken en een verbod moet afkondigen, waarin bepaald wordt dat iedereen die binnen dertig dagen een gebed richt tot een god of een mens buiten u, koning, in de leeuwenkuil* wordt geworpen. [9] Maak daarom, koning, het verbod bekend en leg het schriftelijk vast, zodat het niet te wijzigen is, als een wet van Meden en Perzen die onherroepelijk is.’ [10] Daarop legde Darius het verbod schriftelijk vast. [11] Toen Daniël vernam dat het verbod schriftelijk was vastgelegd, ging hij naar huis. In het bovenvertrek van zijn huis zaten in* de richting van Jeruzalem open vensters. Daar wierp hij zich driemaal per dag op de knieën om zijn God te aanbidden en te prijzen, precies zoals hij dat tevoren gewend was. [12] Toen de mannen een inval deden in zijn huis, troffen ze Daniël aan terwijl hij smeekbeden richtte tot zijn God. [13] Ze gingen daarop naar de koning en brachten hem het koninklijk verbod in herinnering met de woorden: ‘Hebt u geen verbod bekend gemaakt dat iedereen die binnen dertig dagen een gebed richt tot een god of een mens buiten u, koning, in de leeuwenkuil geworpen zal worden?’ De koning antwoordde: ‘Dat staat vast als een wet van Meden en Perzen, die onherroepelijk is.’ [14] Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de ballingen uit Juda, stoort zich niet aan u of aan het verbod dat u hebt uitgevaardigd, maar verricht driemaal per dag zijn gebed.’ [15] Die beschuldiging beviel de koning helemaal niet en hij wilde middelen bedenken om Daniël te redden. Tot zonsondergang probeerde hij dat, [16] maar de mannen zetten de koning onder druk en zeiden: ‘Denk eraan, koning, het is voor Meden en Perzen een wet dat er niet kan worden getornd aan een verbod of besluit dat door de koning is uitgevaardigd.’ [17] Daarop gaf de koning het bevel om Daniël te halen. Toen Daniël in de leeuwenkuil geworpen werd, zei de koning tegen hem: ‘Laat uw God, door u zo trouw vereerd, u redden!’ [18] Daarna nam men een steen en legde die op de opening van de kuil. De koning verzegelde hem met zijn eigen zegel en met dat van zijn rijksgroten, om elke ingreep van buitenaf uit te sluiten. [19] De koning ging naar zijn paleis, bracht de nacht in vasten door en liet geen vrouwen komen; van slapen was geen sprake. [20] Bij het krieken van de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en ging hij haastig naar de leeuwenkuil. [21] Bij de kuil gekomen begon hij op klagende toon tot Daniël te roepen. Hij zei: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, door u zo trouw vereerd, u van de leeuwen kunnen redden?’ [22] Daarop antwoordde Daniël: ‘Koning, ik wens u een lang leven! [23] Mijn God heeft zijn engel* gezonden om de leeuwen te muilkorven. Ze hebben mij niet verwond, omdat ik in Gods ogen onschuldig ben. Maar ook ten opzichte van u, koning, heb ik niets misdaan.’ [24] Uitermate verheugd gaf de koning het bevel om Daniël uit de kuil te trekken. Daarop werd Daniël uit de kuil getrokken. Hij had geen verwondingen opgelopen omdat hij op zijn God vertrouwd had. [25] Nu gaf de koning het bevel om de mannen die Daniël beschuldigd hadden te halen en ze met hun kinderen en vrouwen in de leeuwenkuil te werpen. Ze waren nog niet op de bodem van de kuil beland of de leeuwen hadden hen reeds te pakken en ze verbrijzelden hun gebeente. [26] Daarna schreef koning Darius aan alle volken, volksstammen en talen die op aarde wonen: ‘Ik wens u veel heil! [27] Hierbij bepaal ik dat men in alle delen van mijn koninkrijk de God van Daniël moet eerbiedigen en vrezen,
want Hij is de levende God,
die blijft voor altijd.
Zijn koningschap is onvergankelijk
en zijn heerschappij kent geen einde.
Onder de regering van Darius en die van Kores, de Pers, genoot Daniël een hoog aanzien.
Hoofdstuk 6 [1] Darius de Mediër verkreeg het koningschap; hij was toen tweeënzestig jaar.
Daniël in de leeuwenkuil [2] Darius ging ertoe over honderdtwintig satrapen over het gehele koninkrijk aan te stellen. [3] Boven hen stelde hij drie rijksbestuurders aan, van wie Daniël er een was; aan hen moesten de satrapen rekenschap afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden. [4] Daniël nu onderscheidde zich van de rijksbestuurders en satrapen door zijn buitengewone begaafdheid. De koning overwoog zelfs hem over het hele koninkrijk aan te stellen. [5] Daarom probeerden de rijksbestuurders en satrapen in Daniëls bewind iets te vinden om hem voor aan te klagen, maar zij konden geen grond voor een aanklacht vinden of hem op een misstap betrappen, want hij was betrouwbaar en hij had nooit zijn plicht verzuimd of een misstap begaan. [6] Toen zeiden die mannen: ‘Met geen mogelijkheid zullen wij deze Daniël kunnen aanklagen, tenzij we iets zoeken dat verband houdt met de wet van zijn God.’ [7] Daarop richtten de rijksbestuurders en satrapen zich tot de koning met een dringend verzoek: ‘Koning Darius, leef in eeuwigheid! [8] Alle rijksbestuurders van het koninkrijk, stadhouders en satrapen, raadsheren en gouverneurs, zijn van mening dat er een koninklijk besluit moet worden uitgevaardigd waarin wordt vastgelegd dat eenieder die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen. [9] Welnu, majesteit, vaardig dat verbod uit en stel het op schrift, zodat het niet veranderd kan worden, zoals geen enkele wet van de Meden en de Perzen kan worden herroepen.’ [10] Hierop stelde koning Darius het verbod op schrift. [11] Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenvertrek had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was. [12] Maar toen drongen de mannen zijn huis binnen en troffen Daniël aan terwijl hij tot zijn God bad en hem prees. [13] Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit: ‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’ De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’ [14] Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’ [15] De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen. [16] Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de Meden en de Perzen.’ [17] Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’ [18] Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen. [19] Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen. [20] Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. [21] Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’ [22] En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! [23] Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’ [24] De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd. [25] Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten. [26] Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn! [27] Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want hij is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn heerschappij is zonder einde. [28] Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet wonderen in de hemel en op aarde; hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.’ [29] Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.