Hoofdstuk 22 [1] Wanneer* een dief bij een inbraak betrapt wordt en doodgeslagen wordt, dan is er geen bloedschuld. [2] Maar gebeurt het wanneer de zon al opgegaan is, dan is er wel bloedschuld. De dief moet alles teruggeven. Kan hij dat niet, dan moet hij zelf verkocht worden om het gestolene te vergoeden. [3] Wordt het gestolene, rund, ezel of schaap, nog levend bij hem gevonden, dan moet hij tweemaal het gestolene teruggeven. [4] Wanneer iemand zijn vee laat grazen op een stuk land of in een wijngaard en het zo laat lopen dat het ook op het land van iemand anders graast, dan moet hij de schade vergoeden met het beste van zijn eigen land en het beste van zijn eigen wijngaard. [5] Wanneer een vuur om zich heen grijpt, overspringt op doornstruiken, op een hoop garven of op ongemaaid koren, of een akker verbrandt, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken de schade vergoeden. [6] Wanneer iemand bij een ander geld of sieraden in bewaring geeft en het wordt uit het huis van die ander gestolen en de dief wordt gepakt, dan moet die het dubbele teruggeven. [7] Wordt de dief niet gepakt, dan moet de heer des huizes voor* God getuigen dat hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste. [8] Bij elk geval van verduistering van een rund, ezel of schaap, een kledingstuk of een gevonden voorwerp waarvan iemand zegt: ‘Dat is van mij’, moet de zaak voor* God gebracht worden. Wie door God in het ongelijk gesteld wordt, moet aan de ander het dubbele teruggeven. [9] Wanneer iemand bij een ander een ezel, rund of schaap of enig ander dier in bewaring geeft en het dier gaat dood, het breekt iets of wordt geroofd zonder dat er getuigen zijn, [10] dan moet een eed voor de heer de beslissing brengen. Heeft de bewaarder zich niet vergrepen aan het eigendom van de ander, dan neemt de eigenaar het zijne en hoeft de bewaarder niets te vergoeden. [11] Werd het echter bij hem gestolen, dan moet hij de eigenaar schadeloos stellen. [12] Werd het door een roofdier verscheurd, dan moet hij het dode dier als bewijs overleggen. Hij hoeft het dan niet te vergoeden. [13] Wanneer iemand een dier leent en dit breekt iets of het zakt in elkaar terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het volledig vergoeden. [14] Is de eigenaar erbij, dan hoeft hij het niet te vergoeden. Is hij een loonarbeider, dan behoudt hij zijn loon. [15] Wanneer iemand een nog niet verloofd meisje verleidt en omgang met haar heeft, dan moet hij haar huwen en de bruidsprijs betalen. [16] Weigert de vader haar aan hem af te staan, dan moet hij toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs voor maagden. [17] Een tovenares mag u niet in leven laten. [18] Ieder die geslachtelijke omgang heeft met een dier moet ter dood gebracht worden. [19] Wie aan afgoden offert moet aan de vernietiging gewijd worden. [20] U mag een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want u hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. [21] Weduwen en wezen moet u geen onrecht aandoen. [22] Als u hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen. [23] Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen. [24] Als u aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. U mag geen rente van hem eisen. [25] Als u iemands mantel in pand neemt, dan moet u die voor zonsondergang aan hem teruggeven. [26] Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet erin slapen. Roept hij Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden.
[27] U zult uw God niet lasteren en u zult de leider* van uw volk niet verwensen. [28] Wees niet traag met de eerstelingen* van uw dorsvloer en uw nieuwe wijn. Uw eerstgeboren zonen moet u aan Mij afstaan. [29] Dit geldt ook voor uw runderen en uw kleinvee. De eerstgeborene mag zeven dagen bij zijn moeder blijven, op de achtste dag moet u hem aan Mij afstaan*. [30] U moet Mij toegeheiligd zijn. Eet daarom geen* vlees van een verscheurd dier dat u ergens buiten aantreft. Laat dat maar liggen voor de honden.
Hoofdstuk 22 [1] Betrapt iemand de dief op heterdaad en slaat hij hem dood, dan laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich. [2] Gebeurt dit echter na zonsopgang, dan laadt hij wel bloedschuld op zich. De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene. [3] Als het gestolen dier nog levend bij hem wordt aangetroffen, moet hij het dubbel vergoeden, of het nu een rund betreft, een ezel, schaap of geit. [4] Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden. [5] Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden. [6] Wanneer iemand geld of sieraden aan een ander in bewaring geeft en dit wordt uit het huis van die ander gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, een dubbele vergoeding geven. [7] Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis in het heiligdom zweren dat hij zich niet aan de bezittingen van de ander heeft vergrepen. [8] Bij elk vermoeden van verduistering – of het nu een rund betreft, een ezel, een schaap of geit, een kledingstuk, of welk zoekgeraakt voorwerp ook waarvan iemand beweert dat het zijn eigendom is – moeten beide partijen hun zaak aan God voorleggen. Degene die door God schuldig verklaard wordt, moet de ander een dubbele vergoeding geven. [9] Wanneer iemand een ezel, rund, schaap of geit of welk dier dan ook aan een ander toevertrouwt, en het gaat dood of raakt gewond of wordt geroofd zonder dat er getuigen zijn, [10] en die ander zweert bij de HEER dat hij zich niet aan het bezit van de eigenaar vergrepen heeft, dan moet deze daar genoegen mee nemen en hoeft hem niets vergoed te worden. [11] Als vaststaat dat het dier gestolen is van de ander, moet deze het aan de eigenaar vergoeden. [12] Als het door een roofdier gedood is, moet hij dat bewijzen door hem het dode dier te brengen; hij hoeft het verscheurde dier niet te vergoeden. [13] Wanneer iemand een dier van een ander in bruikleen heeft en het raakt gewond of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, moet hij het dier volledig vergoeden. [14] Is de eigenaar er wel bij, dan is hij geen vergoeding verschuldigd. Was het dier gehuurd, dan is de schade bij de huurprijs inbegrepen. [15] Wanneer iemand een meisje dat nog niet uitgehuwelijkt is verleidt, moet hij de volle bruidsprijs betalen en met haar trouwen. [16] Mocht haar vader weigeren haar aan hem uit te huwelijken, dan moet hij een bedrag betalen dat overeenkomt met de bruidsprijs voor een maagd.
[17] Een tovenares mag niet in leven blijven. [18] Wie gemeenschap heeft met een dier, moet ter dood gebracht worden. [19] Wie aan andere goden offers brengt, en niet uitsluitend aan de HEER, moet onder de ban worden geplaatst en gedood worden.
[20] Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. [21] Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. [22] Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: [23] ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees. [24] Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. [25] Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, [26] want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God.
[27] Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken. [28] Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. [29] Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan. [30] Leef als mensen die aan mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.