Hoofdstuk 26 De gevolgen van de tempelrede [1] In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de heer tot Jeremia: [2] ‘Zo spreekt de heer: Ga naar het huis van de heer en zeg in de voorhof tegen hen die uit de steden van Juda naar het huis van de heer komen om Hem te aanbidden, alles wat Ik u opdraag, zonder één woord weg te laten. [3] Misschien luisteren zij en komen ze tot inkeer, zodat Ik spijt krijg over de rampen die Ik tegen hen beraamde vanwege hun zondig leven. [4] Zeg daarom tegen hen: “Zo spreekt de heer: Als u niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven, [5] als u niet luistert naar mijn dienaren, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u toestuur, [6] dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo* heb gedaan en maak Ik deze stad tot een vloek bij alle volken op aarde.” ’ [7] De priesters, de profeten en alle aanwezigen luisterden naar de rede die Jeremia in de tempel hield. [8] Nauwelijks had Jeremia de rede die hij in opdracht van de heer voor alle aanwezigen hield beëindigd, of de priesters, de profeten en alle aanwezigen grepen hem vast en schreeuwden: ‘Sterven zul je! [9] Hoe durf je als profeet van de heer te zeggen: “Dit huis zal het vergaan zoals het heiligdom van Silo en deze stad wordt een puinhoop zonder bewoners.” ’ En allemaal stormden ze tegelijk op Jeremia af in het huis van de heer. [10] Toen de edelen van Juda hoorden wat er gebeurde, gingen zij vanuit het paleis naar het huis van de heer en namen hun plaats in bij de Nieuwe Poort. [11] De priesters en de profeten zeiden tegen hen en tegen alle aanwezigen: ‘Deze man verdient de dood. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; u hebt het zelf gehoord.’ [12] Maar Jeremia zei tegen de edelen en tegen alle aanwezigen: ‘Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die u hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van de heer. [13] Beter dus uw leven, luister naar de heer uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd. [14] Met mij kunt u natuurlijk doen wat u wilt: ik ben in uw macht. [15] Maar als u mij doodt, moet u wel weten dat u onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en haar inwoners, want het is in opdracht van de heer dat ik dit alles verkondig.’ [16] Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man verdient de dood niet. Hij heeft tot ons gesproken namens de heer.’ [17] Enkele oudsten stonden op en zeiden tegen heel de vergadering: [18] ‘Onder koning Hizkia van Juda trad Micha de Morastiet op als profeet en zei tegen het hele volk: “Zo spreekt de heer van de machten: Sion wordt omgeploegd als een akker, Jeruzalem wordt een puinhoop, op de tempelberg groeit struikgewas.” [19] Toch hebben koning Hizkia van Juda en zijn volk hem niet laten doden. Integendeel, Hizkia had ontzag voor de heer en probeerde Hem gunstig te stemmen. Toen kreeg de heer spijt over het onheil waarmee Hij hen had bedreigd. Wij zouden dus een zware schuld op ons laden.’ [20] Nog een andere profeet trad op namens de heer: Uria, zoon van Semaja, uit Kirjat-Jearim. Hij verkondigde tegen de stad en tegen het land hetzelfde als Jeremia. [21] Koning Jojakim, zijn officieren en zijn edelen hoorden ervan en probeerden hem te doden. [22] Toen Uria dit hoorde, werd hij bang en vluchtte hij naar Egypte. Maar koning Jojakim stuurde Elnatan, zoon van Akbor, met enkele mannen naar Egypte. [23] Zij haalden Uria uit Egypte terug en brachten hem bij koning Jojakim. Deze liet hem doden met het zwaard en zijn lijk liet hij in de gemeenschappelijke grafkuil werpen. [24] Het was vooral aan Achikam*, zoon van Safan, te danken dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden.
Hoofdstuk 26 Jeremia om zijn profetie aangeklaagd [1] In het begin van de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER de volgende woorden tot Jeremia: [2] ‘Dit zegt de HEER: Ga in de voorhof van mijn tempel staan en spreek tot allen die uit de steden van Juda zijn gekomen om mij in de tempel te vereren. Zeg hun alles wat ik je opdraag en laat niets achterwege. [3] Misschien zullen ze luisteren en met hun kwalijke praktijken breken. Dan zal ik afzien van het onheil waarmee ik hen wil treffen vanwege hun kwalijke praktijken. [4] Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER: Als jullie niet naar mij luisteren, als jullie de wet niet naleven die ik je gegeven heb [5] en niet luisteren naar mijn dienaren, de profeten, die ik telkens weer naar jullie zend, maar voor wie jullie tot nu toe doof waren, [6] dan zal ik met deze tempel hetzelfde doen als met Silo, zodat alle volken op aarde de naam van deze stad als een vloek zullen gebruiken.’ [7] De priesters, de profeten en alle andere aanwezigen in de tempel hoorden Jeremia deze woorden spreken. [8] Nadat hij tegen hen gezegd had wat de HEER hem had opgedragen, grepen ze hem vast. ‘Sterven moet jij!’ riepen ze. [9] ‘Hoe durf je in de naam van de HEER te profeteren dat het deze tempel zal vergaan als Silo en dat deze stad een ruïne wordt waar niemand nog zal wonen?’ Al het volk in de tempel liep tegen Jeremia te hoop. [10] Toen de leiders van Juda hoorden wat er gebeurde, kwamen ze van het koninklijk paleis naar de tempel en namen ze plaats in het nieuwe poortgebouw. [11] De priesters en de profeten namen het woord. Ze zeiden tegen de leiders en alle andere aanwezigen: ‘Deze man verdient de dood. U hebt zelf kunnen horen wat hij over deze stad heeft geprofeteerd.’ [12] Jeremia antwoordde: ‘Het is de HEER die mij gezonden heeft om te profeteren wat u over deze tempel en deze stad hebt gehoord. [13] Beter daarom uw leven en luister naar de HEER, uw God, opdat hij afziet van het onheil dat hij u heeft aangekondigd. [14] Wat mijzelf betreft: ik ben in uw handen, u kunt met mij doen wat u goed en rechtvaardig acht. [15] Maar besef wel dat u door mij te doden onschuldig bloed vergiet, waarvoor u zelf, deze stad en de inwoners zullen boeten, want werkelijk, de HEER heeft mij gestuurd om u te waarschuwen.’ [16] Toen zeiden de leiders en de andere aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man kan niet ter dood gebracht worden, want hij heeft in de naam van de HEER, onze God, tot ons gesproken.’ [17] En enkelen van de oudsten van het land stonden op en zeiden tegen het samengestroomde volk: [18] ‘Toen Hizkia koning van Juda was trad Micha uit Moreset op als profeet. Hij zei tegen het volk van Juda: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal tot een puinhoop worden, de tempelberg tot een overwoekerde heuvel.” [19] Maar hebben koning Hizkia en de bevolking van Juda Micha ter dood gebracht? Hizkia had ontzag voor de HEER en wist hem gunstig te stemmen, zodat de HEER afzag van het onheil dat hij hun had aangekondigd. Als we deze man doden, roepen we groot onheil over ons af!’ [20] Er was nog een ander die als profeet optrad in de naam van de HEER: Uria uit Kirjat-Jearim, de zoon van Semaja. Ook hij profeteerde tegen Jeruzalem en Juda, en hij verkondigde hetzelfde als Jeremia. [21] Toen koning Jojakim, de bevelhebbers en de raadsheren zijn profetieën hoorden, wilde de koning hem ter dood laten brengen. Uria kwam dat te weten en vluchtte in paniek naar Egypte. [22] Maar de koning stuurde Elnatan, de zoon van Achbor, met een aantal mannen achter hem aan. [23] Ze haalden Uria terug en leidden hem voor koning Jojakim, die hem liet doden. Zijn lijk liet hij in een gewoon volksgraf werpen. [24] Maar Jeremia werd beschermd door Achikam, de zoon van Safan, zodat hij niet werd uitgeleverd aan het volk, dat hem wilde doden.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.