Ik ben gezocht, maar niet door hen die om Mij vragen,
Ik ben gevonden, maar niet door hen die Mij zochten.
‘Hier ben Ik, hier ben Ik’,
zeg Ik tegen een volk dat mijn naam niet aanroept.
voor hun eigen misdaden en die van hun vaderen,
zo spreekt de heer;
zij hebben wierook gebrand op de bergen,
en mij op de heuvels gelasterd.
Ik zet hun hun vroegere daden betaald.
Zo spreekt de heer:
‘Zolang* men nog sap in een druiventros vindt,
zegt men: “Vernietig hem niet,
want er zit nog een zegen in”;
zo zal Ik het met mijn dienaren doen:
Ik zal hen niet allen vernietigen.
Uit Jakob zal Ik kinderen laten voortkomen,
uit Juda erfgenamen die mijn bergen zullen bezitten,
mijn uitverkorenen zullen ze krijgen
en mijn dienaren zullen er wonen.
Ik bestem u voor het zwaard,
u zult zich allemaal moeten buigen
om u te laten slachten.
Want toen Ik riep, hebt u niet geantwoord,
toen Ik sprak, hebt u niet geluisterd,
u hebt gedaan wat slecht is in mijn ogen,
u hebt gekozen wat Mij niet bevalt.
Daarom’, zo spreekt de Heer god:
‘zullen mijn dienstknechten eten,
maar u zult honger hebben;
mijn dienstknechten zullen drinken,
maar u zult dorst lijden;
mijn dienstknechten zullen zich verheugen,
maar u zult beschaamd staan.
De naam die u zult achterlaten, zullen mijn uitverkorenen als vloek gebruiken.
De Heer god brengt u ter dood,
maar zijn dienstknechten geeft Hij een andere* naam.
Iedereen die zich in het land gezegend beschouwt,
zal zich gezegend beschouwen om de getrouwe God;
iedereen in het land die wil zweren, zal zweren bij de getrouwe God.
De vroegere noden zijn vergeten, onzichtbaar voor mijn ogen.
Ik ga vreugde voor u scheppen en vrolijkheid voor altijd;
Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad vol vrolijkheid,
met een bevolking vol blijdschap.
Er is geen zuigeling meer met een kort leven,
en geen grijsaard die zijn jaren niet vervult,
want de jongste sterft op de leeftijd van honderd jaar,
en wie de honderd jaar niet bereikt, wordt als vervloekt beschouwd.
Zij bouwen niet meer wat een ander zal bewonen
en planten niets waarvan een ander eten zal.
Want de levensdagen van mijn volk zullen even talrijk zijn als die van de bomen,
en mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen.
Zij zullen zich niet voor niets moe maken,
en geen kinderen ter wereld brengen voor de verschrikking*.
Zij en hun nakomelingen met hen zullen een geslacht zijn dat gezegend is door de heer.
Dan grazen de wolf en het lam eensgezind,
de leeuw eet dan hooi zoals het rund,
terwijl de slang zich voeden zal met stof.
Niemand zal nog kwaad doen of onheil stichten op heel mijn heilige berg’,
zegt de heer.
Al vragen zij niet naar mij,
toch laat ik me raadplegen,
en al zoeken ze mij niet,
toch laat ik me vinden.
Al roept dit volk mijn naam niet aan,*
toch antwoord ik: ‘Hier ben ik, hier ben ik.’
Ze zeggen: ‘Blijf waar u bent, kom niet dichterbij,
want wij zijn te heilig voor u.’
Ze prikkelen mij als rook in mijn neus,
ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt.
en die van je voorouders erbij – zegt de HEER;
ook zij hebben wierook gebrand op de bergen
en mij gehoond op de heuvels.
Ik heb hun loon van tevoren bepaald,
ze krijgen het allemaal terug.
Dit zegt de HEER:
Zolang er sap is in een druiventros, zegt men:
‘Vernietig hem niet, er zit nog iets goeds in.’
Voor mijn dienaren zal ik hetzelfde doen,
ik zal niet alles vernietigen.
Uit Jakob zal ik nageslacht doen voortkomen,
uit Juda een erfgenaam van mijn bergland;
mijn uitverkorenen zullen het land in bezit nemen,
mijn dienaren zullen zich daar vestigen.
Maar jullie die de HEER hebben verlaten
en mijn heilige berg veronachtzaamd,
die voor de god van het geluk de tafel dekten
en voor de god van het fortuin de kruiken vulden,
jullie zal ik voor het zwaard bestemmen,
ieder van jullie zal knielen voor de slacht.
Want ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet,
ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet;
jullie deden wat slecht is in mijn ogen,
en jullie verkozen wat ik niet wil.
De naam die jullie nalaten
wordt door mijn uitverkorenen gebruikt
wanneer zij iemand vervloeken:
‘Zo zal God, de HEER, je doden!’
Maar mijn dienaren geef ik een andere naam,
die in dit land zal dienen
als zegenspreuk en eedformule:
‘Bij de waarachtige God’.
Dan zal alle ellende van vroeger vergeten zijn,
verborgen voor mijn ogen.
Geen zuigeling zal daar meer zijn
die slechts enkele dagen leeft,
geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit;
want een kind zal pas sterven als honderdjarige,
en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt.
in wat zij bouwen zal geen ander wonen,
van wat zij planten zal geen ander eten.
Want de jaren van mijn volk
zullen zijn als de jaren van een boom;
mijn uitverkorenen zullen zelf genieten
van het werk van hun handen.
Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten
en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot.
Zij zullen, met heel hun nageslacht,
een volk zijn dat door de HEER is gezegend.
Wolf en lam zullen samen weiden,
een leeuw en een rund eten beide stro
en een slang zal zich voeden met stof.
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg – zegt de HEER.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.