De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het evangelie volgens Lucas
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 9
Zending van de twaalf
[1] Hij riep de twaalf bij elkaar en gaf hun kracht en gezag over alle demonen, en ter genezing van ziekten. [2] En Hij zond hen uit om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken gezond te maken. [3] Hij zei tegen hen: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen reistas, geen brood, geen geld en geen extra kleren. [4] Als je bij iemand onderdak krijgt, blijf dan daar tot je verder reist. [5] Kom je in een stad waar de mensen je niet ontvangen, ga er dan weg en schud* het stof van je voeten, als een getuigenis tegen hen.’ [6] Toen gingen ze op weg; ze trokken van dorp naar dorp en overal verkondigden ze de goede boodschap en genazen ze de zieken.

Herodes’ nieuwsgierigheid
     [7] Herodes, de tetrarch, hoorde wat er allemaal gebeurde, maar hij wist niet wat hij ervan moest denken, omdat sommigen zeiden: ‘Johannes is uit de doden opgewekt’, [8] terwijl anderen zeiden: ‘Elia is teruggekomen’, en weer anderen: ‘Een van de oude profeten is opgestaan.’ [9] Maar Herodes zei: ‘Johannes heb ik laten onthoofden; wie is dat toch over wie ik al die verhalen hoor?’ Hij wilde Hem eigenlijk wel eens zien.

Terugkeer van de twaalf. Jezus geeft vijfduizend mensen te eten
     [10] Toen de apostelen bij Jezus waren teruggekeerd, brachten ze Hem verslag uit van wat ze hadden gedaan. Daarna trok Hij zich alleen met hen terug in de omgeving van de stad Betsaïda*. [11] Maar de mensen kwamen erachter en volgden Hem; Hij ontving hen vriendelijk, sprak hun over het koninkrijk van God en maakte gezond wie genezing nodig had. [12] Toen de dag ten einde liep, kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden: ‘Stuur de mensen weg, dan kunnen ze onderdak zoeken in de dorpen en op de hoeven in de buurt en wat gaan eten; hier zijn we in een eenzame streek.’ [13] Maar Hij zei tegen hen: ‘Jullie moeten hun te eten geven.’ Zij zeiden: ‘Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen’; [14] want ze waren met ongeveer vijfduizend man. Daarop zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Laat ze gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.’ [15] Dat deden ze, ze vroegen iedereen om te gaan zitten. [16] Toen nam Jezus die vijf broden en twee vissen. Hij keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit en brak ze, en gaf ze aan de leerlingen om aan de mensen uit te delen. [17] Ze hadden allen volop te eten, en wat er overschoot werd opgehaald, twaalf manden vol.

Het lijden van de Mensenzoon en zijn volgelingen
     [18] Eens was Hij aan het bidden, alleen zijn leerlingen waren bij Hem. Hij stelde hun de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ [19] Zij antwoordden Hem: ‘Johannes de Doper, volgens anderen Elia, en weer anderen zeggen dat een van de oude profeten is opgestaan.’ [20] Daarop zei Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘De Messias van God.’ [21] Hij verbood hun echter nadrukkelijk hierover met iemand te praten [22] en zei: ‘De* Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden worden verworpen en ter dood gebracht; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.’ [23] Met het oog op allen zei Hij: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen. [24] Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden. [25] Wat immers baat het de mens als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt? [26] Want over ieder die zich voor Mij en mijn woorden schaamt, zal de Mensenzoon zich schamen wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen. [27] Naar waarheid zeg Ik jullie: er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze het koninkrijk van God hebben gezien.’

Jezus met Mozes en Elia
     [28] Ongeveer een week na deze woorden nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en ging Hij de berg op om te bidden. [29] Terwijl Hij aan het bidden was, veranderde Hij van uiterlijk en werden zijn kleren stralend wit. [30] Ineens waren er twee mannen met Hem in gesprek. Het waren Mozes en Elia, [31] die in heerlijkheid verschenen en over zijn heengaan* spraken, de voleinding van zijn leven in Jeruzalem. [32] Petrus en de anderen waren overmand door slaap; toen ze wakker werden, zagen ze zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. [33] Toen die weer van Hem wilden weggaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten maken, een voor U, een voor Mozes, en een voor Elia.’ Hij wist niet wat hij zei. [34] Terwijl hij nog sprak, kwam er een wolk* die hen overdekte; ze schrokken toen ze in de wolk terechtkwamen. [35] Uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn uitverkoren Zoon; luister naar Hem.’ [36] Toen de stem klonk, bleek Jezus alleen te zijn. Zij zwegen hierover en vertelden destijds aan niemand wat ze hadden gezien.

Genezing van een bezeten jongen. Tweede schets van de lijdensweg van de Mensenzoon
     [37] Toen ze de volgende dag de berg afdaalden, kwam Hem een grote menigte tegemoet. [38] Uit de menigte riep iemand om hulp: ‘Meester, kijk alstublieft eens naar mijn zoon; hij is mijn enig kind. [39] Een geest neemt bezit van hem en dan schreeuwt hij het ineens uit. Hij laat hem stuiptrekken en schuimbekken, en laat hem bijna niet meer los, zo martelt hij hem. [40] Ik heb uw leerlingen al gevraagd hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.’ [41] Jezus antwoordde: ‘Ongelovig en tegendraads slag mensen, hoelang moet Ik nog bij u blijven en u verdragen? Breng uw zoon hier.’ [42] Nog terwijl de jongen naderbij kwam, wierp de demon hem stuiptrekkend op de grond. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, Hij genas de jongen, en gaf hem weer aan zijn vader. [43] Allen stonden versteld van de grootheid van God. Te midden van de algemene verbazing over alles wat Hij deed, zei Hij tegen zijn leerlingen: [44] ‘Knoop goed in je oren wat Ik jullie nu zeg: de Mensenzoon zal worden uitgeleverd en valt in de handen van mensen.’ [45] Ze begrepen het echter niet; wat Hij zei bleef voor hen verborgen, zodat ze het niet snapten, maar ze durfden Hem er niets over te vragen. [46] Zij kregen een meningsverschil, wie van hen de grootste was. [47] Omdat Jezus wist wat er in hen omging, haalde Hij een kind naar zich toe, [48] en zei tegen hen: ‘Wie dit kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt degene die Mij gezonden heeft. Want de kleinste van jullie allemaal, die is groot.’ [49] Johannes antwoordde: ‘Meester, wij hebben iemand in uw naam demonen zien uitdrijven, en wij hebben geprobeerd hem tegen te houden, omdat hij U niet volgt, zoals wij.’ [50] Maar Jezus zei tegen hem: ‘Houd hem niet tegen, want wie niet tegen jullie is, is vóór jullie.’

Begin van Jezus’ reis naar Jeruzalem
     [51] Toen* de tijd* naderde dat Hij zou worden weggenomen, koos Hij vastberaden* Jeruzalem als reisdoel.

Een ongastvrij dorp in Samaria
     [52] Hij zond boden voor zich uit, maar toen die in een Samaritaans* dorp kwamen om zijn komst voor te bereiden, [53] wilde men Hem niet ontvangen, omdat Hij Jeruzalem als reisdoel had gekozen. [54] Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dat merkten, zeiden ze: ‘Heer, zullen we zeggen dat er vuur uit de hemel moet neerdalen om hen te vernietigen?’ [55] Maar Hij keerde zich om en wees hen terecht. [56] Toen gingen ze naar een ander dorp.

Het volgen van de Mensenzoon
     [57] Terwijl ze hun reis voortzetten, zei iemand onderweg tegen Hem: ‘Ik wil U volgen, waar U ook naartoe gaat.’ [58] Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.’ [59] Tegen een ander zei Hij: ‘Volg Me.’ Die zei Hem: ‘Heer, sta me toe eerst mijn vader te gaan begraven.’ [60] Maar Hij zei hem: ‘Laat de doden hun doden begraven; u moet het koninkrijk van God gaan verkondigen.’ [61] Weer een ander zei: ‘Ik wil U volgen, Heer, maar sta me toe eerst thuis afscheid te nemen.’ [62] Tegen hem zei Jezus: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en dan nog eens omkijkt, deugt niet voor het koninkrijk van God.’
Hoofdstuk 9
Uitzending van de twaalf
[1] Hij riep de twaalf bij zich en gaf hun macht en gezag over alle demonen, en de kracht om ziekten te genezen. [2] Daarna zond hij hen uit om het koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen. [3] Hij zei tegen hen: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen reistas, geen brood en geen geld, en ook geen extra kleren. [4] Blijf in het huis waar je onderdak hebt gevonden tot je van daar weer verdergaat. [5] Als ze jullie niet willen ontvangen, schud dan het stof van je voeten ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ [6] Ze gingen op weg en trokken van de ene plaats naar de andere, terwijl ze het goede nieuws verkondigden en overal zieken genazen.
     [7] Herodes, de tetrarch, hoorde wat er allemaal gebeurde en raakte in grote verwarring omdat sommigen zeiden dat Johannes uit de dood was opgestaan, [8] terwijl anderen beweerden dat Elia was verschenen, en weer anderen dat een van de oude profeten was opgestaan. [9] Herodes zei: ‘Johannes heb ik laten onthoofden; wie is dan degene over wie ik dergelijke dingen hoor?’ Hij zocht naar een gelegenheid om hem te ontmoeten.
     [10] Toen de apostelen terugkeerden, vertelden ze Jezus alles wat ze gedaan hadden. Hij trok zich met hen terug in een stad die Betsaïda heet. [11] Maar de mensen kwamen het te weten en volgden hem. Hij ontving hen vriendelijk en sprak tot hen over het koninkrijk van God, en degenen die genezing nodig hadden maakte hij weer gezond. [12] De dag liep ten einde. De twaalf kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Stuur de mensen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omgeving gaan om daar te overnachten en op zoek te gaan naar eten, want dit is een afgelegen plaats.’ [13] Maar hij zei tegen hen: ‘Geven jullie hun te eten.’ Ze zeiden: ‘We hebben maar vijf broden en twee vissen. Moeten wij dan eten gaan kopen voor al die mensen?’ [14] Er waren ongeveer vijfduizend mensen bijeen. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zeg dat ze in groepen van ongeveer vijftig bij elkaar moeten gaan zitten.’ [15] Ze deden wat Jezus hun opdroeg en lieten iedereen in groepen bij elkaar zitten. [16] Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en sprak er het zegengebed over uit. Daarna brak hij het brood en gaf het met de vissen aan zijn leerlingen om aan de menigte uit te delen. [17] De mensen aten en allen werden verzadigd; de stukken brood die overbleven werden opgehaald, twaalf manden vol.

Onderricht aan de leerlingen
     [18] Toen Jezus eens aan het bidden was en alleen de leerlingen bij hem waren, stelde hij hun de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ [19] Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, maar anderen zeggen Elia, en weer anderen beweren dat een van de oude profeten is opgestaan.’ [20] Hij zei tegen hen: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘De door God gezonden messias.’ [21] Hij beval hun op strenge toon dat tegen niemand te zeggen. [22] Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’
     [23] Tegen allen zei hij: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn kruis op zich nemen en mij volgen. [24] Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. [25] Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schade toebrengt? [26] Wie zich schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in de stralende luister die hemzelf, de Vader en de heilige engelen omgeeft. [27] Ik verzeker jullie dat sommigen die hier aanwezig zijn niet zullen sterven voor ze het koninkrijk van God hebben gezien.’
     [28] Ongeveer acht dagen nadat hij dit had gezegd ging hij met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. [29] Terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. [30] Opeens stonden er twee mannen met hem te praten: het waren Mozes en Elia, [31] die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen. [32] Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij hem stonden. [33] Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia,’ maar hij wist niet wat hij zei. [34] Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde. [35] Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem!’ [36] Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.
     [37] Toen ze de volgende dag de berg afdaalden, kwam een grote menigte Jezus tegemoet. [38] Opeens begon een man in de menigte luid te roepen: ‘Meester, ik smeek u, help mijn zoon, want hij is mijn enige kind. [39] Telkens weer neemt een geest bezit van hem, en dan begint hij opeens te schreeuwen en krijgt hij stuiptrekkingen en komt het schuim hem op de lippen te staan. En de geest wil hem pas loslaten wanneer hij hem bont en blauw heeft geslagen. [40] Ik heb uw leerlingen gesmeekt om hem uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ [41] Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik bij jullie blijven en jullie nog verdragen? Breng uw zoon hier.’ [42] Terwijl de jongen naar hem toe liep, gooide de demon hem op de grond en liet hem stuiptrekken. Maar Jezus sprak de onreine geest op strenge toon toe, genas de jongen en gaf hem terug aan zijn vader. [43] Allen waren met stomheid geslagen vanwege de grootheid van God. Terwijl iedereen nog onder de indruk was van zijn daden, zei Jezus tegen zijn leerlingen:
     [44] ‘Onthoud wat ik tegen jullie zeg: de Mensenzoon zal aan de mensen uitgeleverd worden.’ [45] Maar ze begrepen deze uitspraak niet; de betekenis bleef voor hen verborgen, en ze durfden hem niet naar de zin van die uitspraak te vragen.
     [46] Ze begonnen onderling te redetwisten over wie van hen de belangrijkste was. [47] Jezus merkte wat hen bezighield en hij nam een kind bij zich, dat hij naast zich neerzette. [48] Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’ [49] Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’ [50] Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’

Op weg naar Jeruzalem
     [51] Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. [52] Hij stuurde boden voor zich uit. In een Samaritaans dorp, waar ze kwamen om zijn komst voor te bereiden, [53] wilden de dorpelingen hem niet ontvangen, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was. [54] Toen de leerlingen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, vroegen ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?’ [55] Maar hij draaide zich naar hen om en wees hen streng terecht. [56] Ze gingen verder naar een ander dorp.
     [57] Terwijl ze hun weg vervolgden, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’ [58] Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ [59] Tegen een ander zei hij: ‘Volg mij!’ Maar deze zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ [60] Jezus zei tegen hem: ‘Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen.’ [61] Weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar sta me toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten.’ [62] Jezus zei tegen hem: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Klik hier voor de richtlijnen voor het gebruik van deze online-versie van de Willibrord- en Nieuwe Bijbelvertaling: © 1995-2010.
- Een project van de Katholiek Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties