![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
H. Ignatius van Loyola, priester. Zaterdag in week 17 door het jaarJeremia 26,11-16.24
Uit de profeet Jeremia
In die dagen zeiden de priesters en de profeten
tot de edelen en alle aanwezigen: “Deze man, Jeremia, is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; gij hebt het zelf gehoord.” Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: “Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die gij hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van de HEER. Betert dus uw leven, luistert naar de HEER uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd. Met mij kunt gij natuurlijk doen wat ge wilt: ik ben in uw macht. Maar als ge mij doodt, moet gij wel weten, dat ge onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van de HEER dat ik dit alles verkondig.” Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: “Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens de HEER.” Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden. Matteüs 14,1-12
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd begon Jezus’ vermaardheid
tot de viervorst Herodes door te dringen, en hij zei daarom tot zijn hovelingen: “Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is uit de doden opgestaan; vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.” Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen, omdat Johannes tot hem gezegd had: Het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben. Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen, maar hij was hiervoor teruggeschrokken omdat het volk Johannes voor een profeet hield. Toen de dochter van Herodias echter op de verjaardag van Herodes voor het gezelschap danste, beviel zij hem zozeer dat hij een eed zwoer haar alles te zullen geven wat zij zou vragen. Haar moeder had haar het antwoord ingescherpt en daarom zei ze: “Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.” Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten, zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven. Hij gaf daarom opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht en aan het meisje gegeven dat het aan haar moeder bracht. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het; daarna gingen zij het aan Jezus melden. |
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Klik hier voor de richtlijnen voor het gebruik van deze online-versie van de Willibrord- en Nieuwe Bijbelvertaling: © 1995-2010. - Een project van de Katholiek Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||