| 1 | Laten wij ons aansluiten bij de menigte getuigen van het geloof, |
| en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden, |
| om vastberaden de wedstrijd te lopen |
| waarvoor we hebben ingeschreven. |
| 2 | Ziet naar Jezus, |
| de aanvoerder en voltooier van ons geloof. |
| In plaats van de vreugde die Hem toekwam |
| heeft Hij een kruis op zich genomen |
| en de schande niet geteld: |
| nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon. |
| 3 | Denkt aan Hem |
| die zoveel tegenwerking van zondaars te verduren had; |
| dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven. |
| 4 | Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost. |
| 21 | Toen Jezus weer met de boot overgestoken was |
| stroomde veel volk bij Hem samen. |
| Terwijl Hij zich aan de oever van het meer bevond |
| 22 | kwam er een zekere Jaďrus, de overste van de synagoge. |
| Toen hij Hem zag, viel hij Hem te voet |
| en smeekte Hem met aandrang: |
| 23 | | ‘Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven, |
| | kom toch haar de handen opleggen |
| | opdat ze mag genezen en leven.” |
| 24 | Jezus ging met hem mee. |
| Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten op. |
| 25 | Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. |
| 26 | Zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters |
| en haar gehele vermogen uitgegeven, |
| maar zonder er baat bij te vinden; |
| integendeel, het was nog erger met haar geworden. |
| 27 | Omdat zij over Jezus gehoord had |
| drong zij zich in de menigte naar voren |
| en raakte zijn mantel aan. |
| 28 | Want ze zei bij zichzelf: |
| | ‘Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, |
| | zal ik al genezen zijn.’ |
| 29 | Terstond hield de bloeding op |
| en werd ze aan haar lichaam gewaar |
| dat ze van haar kwaal genezen was. |
| 30 | Op hetzelfde ogenblik was Jezus zich bewust |
| dat er een kracht van Hem was uitgegaan; |
| Hij keerde zich te midden van de menigte om en vroeg: |
| | ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ |
| 31 | Zijn leerlingen zeiden tot Hem: |
| | ‘Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt: |
| | Wie heeft Mij aangeraakt?’ |
| 32 | Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had. |
| 33 | Wetend wat er met haar gebeurd was |
| kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen |
| en bekende Hem de hele waarheid. |
| 34 | Toen sprak Hij tot haar: |
| | ‘Dochter, uw geloof heeft u genezen. |
| | Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.’ |
| 35 | Hij was nog niet uitgesproken |
| of men kwam uit het huis van de overste van de synagoge |
| met de boodschap: |
| | ‘Uw dochter is gestorven. |
| | Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?’ |
| 36 | Jezus ving op wat er bericht werd |
| en zei tot de overste van de synagoge: |
| | ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ |
| 37 | Hij liet niemand met zich meegaan |
| behalve Petrus, Jakobus en Johannes de broer van Jakobus. |
| 38 | Toen zij aan het huis van de overste kwamen |
| zag Hij het rouwmisbaar |
| van mensen die luid weenden en weeklaagden. |
| 39 | Hij ging naar binnen en zei tot hen: |
| | ‘Waarom dit misbaar en geween? |
| | Het kind is niet gestorven maar slaapt.’ |
| 40 | Doch ze lachten Hem uit. |
| Maar Hij stuurde ze allemaal naar buiten en ging |
| met zijn metgezellen en de vader en moeder van het kind |
| het vertrek binnen waar het kind lag. |
| 41 | Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar: |
| | ‘Talita koemi’; |
| wat vertaald betekent: |
| Meisje, Ik zeg je, sta op. |
| 42 | Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond |
| want het was twaalf jaar. |
| En ze stonden stom van verbazing. |
| Hij legde hun nadrukkelijk op |
| dat niemand het te weten mocht komen, en voegde eraan toe |
| dat men haar te eten moest geven. |