| 1 | De broederlijke liefde |
| hoort bij de dingen die altijd moeten blijven. |
| 2 | En vergeet de gastvrijheid niet; |
| daardoor hebben sommigen |
| zonder het te weten engelen onthaald. |
| 3 | Denkt aan hen die gevangen zijn |
| als waart ge met hen in de gevangenis, |
| en aan hen die mishandeld worden, |
| want ook gij hebt een lichaam. |
| 4 | Het huwelijk is iets kostbaars; |
| laten we het allen in ere houden en de trouw respecteren. |
| Gods oordeel zal komen over ontuchtigen en echtbrekers. |
| 5 | Leeft niet alleen voor geld, |
| weest tevreden met wat ge hebt. |
| God zelf heeft gezegd: |
| | ‘Ik laat u niet alleen, |
| | Ik zal u nooit in de steek laten.’ |
| 6 | Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: |
| | ‘De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. |
| | Wat kan een mens mij aandoen?’ |
| 7 | Gedenkt uw leiders |
| die u het eerst het woord van God verkondigd hebben. |
| Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; |
| neemt een voorbeeld aan hun geloof. |
| 8 | Jezus Christus is dezelfde |
| gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. |
| 14 | Toen koning Herodes over Jezus hoorde, |
| want zijn naam was bekend geworden, |
| zei hij: |
| | ‘Johannes de Doper is verrezen uit de doden |
| | en daarom werken die wonderkrachten in hem.’ |
| 15 | Maar anderen zeiden: |
| | ‘Het is Elia’, |
| en weer anderen: |
| | ‘Hij is een profeet zoals de andere profeten.’ |
| 16 | Maar toen Herodes dit alles hoorde, zei hij: |
| | ‘Neen het is Johannes, die ik onthoofd heb, |
| | die verrezen is.’ |
| 17 | Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen |
| en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias, |
| de vrouw van zijn broer Filippus, |
| want hij had haar tot vrouw genomen. |
| 18 | Johannes had immers tot Herodes gezegd: |
| | ‘Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.’ |
| 19 | Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden, |
| maar zij kreeg geen kans |
| 20 | want Herodes had ontzag voor Johannes. |
| Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was |
| en nam hem in bescherming. |
| Telkens wanneer hij hem gehoord had verkeerde hij in tweestrijd; |
| maar toch luisterde hij graag naar hem. |
| 21 | Er kwam echter een gunstige dag, |
| toen Herodes bij zijn verjaardag |
| een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, |
| zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. |
| 22 | De dochter van Herodias trad op met een dans |
| en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten. |
| De koning zei tot het meisje: |
| | ‘Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.’ |
| 23 | En hij bevestigde haar met een eed: |
| | ‘Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, |
| | al is het de helft van mijn koninkrijk.’ |
| 24 | Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: |
| | ‘Wat zou ik vragen?’ |
| Deze antwoordde: |
| | ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ |
| 25 | Zij haastte zich naar binnen, naar de koning, |
| en zei hem haar verlangen: |
| | ‘Ik wil |
| | dat u mij op staande voet |
| | op een schotel |
| | het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ |
| 26 | Dit deed de koning leed, |
| maar om zijn eed gestand te doen en ook wegens zijn tafelgenoten |
| wilde hij haar niet afwijzen. |
| 27 | Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht |
| en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen. |
| De man ging en onthoofde Johannes in de gevangenis. |
| 28 | Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje; |
| het meisje gaf het weer aan haar moeder. |
| 29 | Toen zijn leerlingen ervan gehoord hadden |
| kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf. |