| 1 | De HEER sprak tot Mozes: |
| 2 | | ‘Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: |
| | Wees heilig, want Ik, de HEER uw God, ben heilig. |
| 11 | | Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. |
| 12 | | Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, |
| | want dan ontwijdt ge de naam van uw God. |
| | Ik ben de HEER. |
| 13 | | Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets tekort doen. |
| | Wat een dagloner verdient |
| | moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. |
| 14 | | Gij moogt een dove niet vervloeken |
| | en een blinde niets in de weg leggen, |
| | waarover hij struikelen kan. |
| | Ge moet ontzag hebben voor uw God. |
| | Ik ben de HEER. |
| 15 | | Wees niet partijdig bij het rechtspreken: |
| | begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. |
| | Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. |
| 16 | | Strooi geen lasterpraat rond over elkaar |
| | en sta uw naaste niet naar het leven. |
| | Ik ben de HEER. |
| 17 | | Wees niet haatdragend tegen uw broeder. |
| | Wijs elkaar terecht: |
| | dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. |
| 18 | | Neem geen wraak op een volksgenoot |
| | en koester geen wrok tegen hem. |
| | Bemin uw naaste als uzelf. |
| | Ik ben de HEER.’ |
| 31 | In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: |
| | ‘Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid |
| | en vergezeld van alle engelen, |
| | dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. |
| 32 | | Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden |
| | en Hij zal ze in twee groepen scheiden, |
| | zoals een herder een scheiding maakt |
| | tussen schapen en bokken. |
| 33 | | De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand |
| | maar de bokken aan zijn linker. |
| 34 | | Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: |
| | Komt, gezegenden van mijn Vader, |
| | en ontvangt het Rijk |
| | dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. |
| 35 | | Want Ik had honger, en gij hebt Mij te eten gegeven, |
| | Ik had dorst, en gij hebt Mij te drinken gegeven, |
| | Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij opgenomen, |
| 36 | | Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed, |
| | Ik was ziek, en gij hebt Mij bezocht, |
| | Ik was in de gevangenis, en gij hebt Mij bezocht. |
| 37 | | Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: |
| | Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien |
| | en U te eten gegeven |
| | of dorstig en U te drinken gegeven? |
| 38 | | En wanneer zagen wij U als vreemdeling |
| | en hebben U opgenomen, |
| | of naakt en hebben U gekleed? |
| 39 | | En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis |
| | en zijn U komen bezoeken? |
| 40 | | De Koning zal hun ten antwoord geven: |
| | Voorwaar, Ik zeg u: |
| | al wat gij gedaan hebt |
| | voor een dezer geringsten van mijn broeders |
| | hebt gij voor Mij gedaan. |
| 41 | | En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: |
| | Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur |
| | dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. |
| 42 | | Want Ik had honger, en gij hebt Mij niet te eten gegeven. |
| | Ik had dorst, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; |
| 43 | | Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen, |
| | naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; |
| | Ik was ziek en in de gevangenis |
| | en gij zijt Mij niet komen bezoeken. |
| 44 | | Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: |
| | Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig |
| | of als vreemdeling, of naakt |
| | of ziek, of in de gevangenis, |
| | en hebben wij niet voor U gezorgd? |
| 45 | | Daarop zal Hij hun antwoorden: |
| | Voorwaar, Ik zeg u: |
| | Al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan |
| | hebt gij ook voor Mij niet gedaan. |
| 46 | | En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, |
| | maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’ |