De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Genesis
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 3
Verdrijving uit de tuin
[1] Van alle dieren, die de heer God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang*. Ze zei tegen de vrouw: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?’ [2] De vrouw zei tegen de slang: ‘Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin. [3] God heeft alleen gezegd: “Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat mag je niet eten; je mag haar zelfs niet aanraken; anders zul je sterven.” ’ [4] Maar de slang zei tegen de vrouw: ‘Je zult helemaal niet sterven! [5] God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.’ [6] Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht* door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
     [7] Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat ze naakt* waren. Daarom hechtten ze vijgenbladeren aaneen en maakten daar lendenschorten van. [8] Toen zij bij het opkomen van de middagwind de heer God in de tuin hoorden naderen, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de heer God tussen de bomen van de tuin.
     [9] Maar de heer God riep de mens en vroeg hem: ‘Waar ben je?’ [10] Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin, en toen werd ik bang omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.’ [11] Maar Hij zei: ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom die Ik verboden heb?’ [12] De mens antwoordde: ‘De vrouw die U mij als gezellin gegeven hebt, heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.’ [13] Daarop vroeg de heer God aan de vrouw: ‘Hoe heb je dat kunnen doen?’ De vrouw zei: ‘De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.’ [14] De*heer God zei toen tegen de slang:
   ‘Omdat je dit gedaan hebt,
ben je vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten!
Op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, alle dagen van je leven!
  [15] Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw kroost en het hare.
Het zal jouw kop bedreigen, en jij zijn hiel!’
  [16] En tegen de vrouw heeft Hij gezegd:
‘Ik zal de lasten van jouw zwangerschap zeer zwaar maken:
met pijn zul je kinderen baren.
Naar je man zal je begeerte uitgaan,
hoewel hij over je heerst.’
  [17] En tegen de man heeft Hij gezegd:
‘Omdat je hebt geluisterd naar je vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik je had verboden,
zal de grond vervloekt zijn omwille van jou!
Zwoegend zul je van hem eten,
alle dagen van je leven.
  [18] Distels en doorns zal hij voortbrengen,
met veldgewas moet jij je voeden.
  [19] In het zweet zul je werken voor je brood,
tot je terugkeert naar de grond,
waaruit je bent genomen: je bent stof,
en tot stof keer je terug.’


     [20] De mens noemde zijn vrouw Eva*, omdat zij de moeder is geworden van alle levenden. [21] En de heer God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en kleedde hen ermee.
     [22] De heer God zei: ‘Nu de mens in de kennis* van goed en kwaad als een* van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij zijn hand uitstrekt en ook van de boom van het leven plukt. Door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!’ [23] Daarom verwees de heer God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen. [24] Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.
Hoofdstuk 3
[1] Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ [2] ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, [3] ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ [4] ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. [5] ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden* zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
     [6] De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. [7] Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.
     [8] Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. [9] Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ [10] Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ [11] ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ [12] De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ [13] ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
 
     [14]
God, de HEER, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.
  [15] Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare,
zij verbrijzelen je kop,
jij bijt hen in de hiel.’
  [16] Tegen de vrouw zei hij: ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
  [17] Tegen de mens zei hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die ik je had verboden.
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
zwoegen zul je om ervan te eten,
je hele leven lang.
  [18] Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
  [19] Zweten zul je voor je brood,
totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:
stof ben je, tot stof keer je terug.’

     [20] De mens noemde zijn vrouw Eva;* zij is de moeder van alle levenden geworden. [21] God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.
     [22] Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. [23] Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. [24] En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
 
  Disclaimer
Klik hier voor de richtlijnen voor het gebruik van deze online-versie van de Willibrord- en Nieuwe Bijbelvertaling: © 1995-2010.