Hoofdstuk 7 Kritiek op tempel en eredienst [1] Dit* woord van de heer kwam tot Jeremia: [2] ‘Ga naar het huis van de heer en verkondig daar in de poort deze boodschap: Luister naar het woord van de heer, mannen van Juda die door deze poort gaan om u voor de heer te buigen. [3] Dit zegt de heer van de machten, Israëls God: “Verbeter uw leven, dan laat Ik u wonen op deze plaats. [4] Vertrouw niet op de valse leus: ‘Dit is de tempel van de heer, de tempel van de heer, de tempel van de heer!’ [5] Maar verbeter uw leven, behandel elkaar rechtvaardig, [6] onderdruk geen vreemdeling, weduwe of wees, vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats en loop niet achter andere goden aan. [7] Dan laat Ik u wonen op deze plaats, in het land dat Ik aan uw voorvaderen gegeven heb voor altijd. [8] Maar u vertrouwt op valse, waardeloze leuzen. [9] U steelt, u moordt, u pleegt echtbreuk, u zweert onoprecht, u offert aan Baäl en loopt achter andere goden aan die u nooit hebt gekend. [10] En dan durft u in dit huis dat mijn naam draagt nog voor Mij te verschijnen en te zeggen: ‘We zijn veilig!’ Maar ondertussen blijft u al die wandaden bedrijven. [11] Is het huis dat mijn naam draagt in uw ogen soms een rovershol? In mijn ogen beslist niet – godsspraak van de heer. [12] Ga eens naar de plaats in Silo waar Ik vroeger mijn naam heb gevestigd, en kijk wat* Ik daarmee gedaan heb vanwege de wandaden van Israël, mijn volk. [13] Welnu, omdat u nog steeds dergelijke dingen doet – zo spreekt de heer – omdat u niet luistert, en omdat u niet antwoordt terwijl Ik steeds tegen u heb gesproken of u geroepen heb, [14] daarom zal Ik met dit huis dat mijn naam draagt en waar u zo op vertrouwt, met de plaats die Ik aan u en uw vaderen gegeven heb, hetzelfde doen als met Silo. [15] Ik verstoot u, zoals Ik met uw broeders, met heel Efraïm* heb gedaan.”
[16] Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken, dring niet langer aan: Ik luister toch niet. [17] Ziet u soms niet wat er in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gebeurt? [18] De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken te bakken voor de koningin* van de hemel. Ze beledigen Mij door offers te brengen aan andere goden. [19] Maar beledigen ze Mij wel – godsspraak van de heer – en niet zichzelf, tot hun eigen schande? [20] Daarom’, zo spreekt de Heer god, ‘stort mijn gloeiende toorn zich uit over deze plaats, over mens en dier, over de bomen op het veld en de vruchten op de akker, zoals een brand die niet wordt gedoofd.’
[21] Zo* spreekt de heer van de machten, Israëls God: ‘Vermeerder uw brand- en slachtoffers maar, en eet er het vlees van. [22] Toen* Ik uw voorvaderen uit Egypte leidde, heb Ik hun niets gezegd, hun geen voorschriften gegeven over brand- en slachtoffers. [23] Dit alleen heb Ik bevolen: Luister naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en u zult mijn volk zijn. Volg de weg die Ik u wijs, dan zal het goed gaan. [24] Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig in hun slechtheid. Hoe langer hoe meer keerden zij zich van Mij af. [25] Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot op de dag van vandaag, heb Ik u mijn dienaren, de profeten gezonden, telkens weer. [26] Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen. [27] Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. [28] Dan moet u tegen hen zeggen: “Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar de heer, zijn God, dat zich niet laat beleren. De oprechtheid is verdwenen, ze komt niet meer over hun lippen.”| | | | [29] | Knip* uw haar af en gooi het weg.
Zing op de hoogten een klaaglied,
want de heer heeft dit volk verworpen
en het in zijn toorn verstoten.
|
[30] Het kwaad van de Judeeërs heeft mijn ongenoegen opgewekt – godsspraak van de heer. Zij hebben het huis dat mijn naam draagt onteerd; ze hebben er hun afgodsbeelden opgesteld. [31] Ze bouwden de offerhoogten van Tofet* in het Ben-Hinnomdal* om er hun zonen* en dochters te verbranden, hoewel Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten. [32] Daarom* komt er een tijd – godsspraak van de heer – dat men niet meer zal zeggen: “Tofet en Ben-Hinnomdal”, maar “dal van de slachting”. En Tofet wordt één grote begraafplaats. [33] De* vogels en de wilde dieren azen op lijken van dit volk, zonder dat iemand ze opschrikt. [34] In de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem smoor Ik de kreten van blijdschap en vreugde, het gezang voor bruidegom en bruid verstomt: het land wordt één puinhoop.
Willibrordvertaling: © Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
De Nieuwe Bijbelvertaling: © Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, 2004.
|