Jezus geeft vijfduizend mensen te eten [30] De apostelen kwamen terug bij Jezus, en ze vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en hoe ze onderricht gegeven hadden. [31] Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.’ Want er kwamen en gingen zoveel mensen, dat ze niet eens de gelegenheid hadden om te eten. [32] Ze gingen in de boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn. [33] Men zag hen weggaan en velen herkenden hen. Uit alle steden haastten ze zich te voet daarheen en kwamen er eerder aan dan zij. [34] Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte, en Hij had zeer met hen te doen, omdat ze als schapen zonder herder waren, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten. [35] Het was al laat geworden toen zijn leerlingen Hem kwamen zeggen: ‘Dit is een eenzame plaats, en het is al laat. [36] Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf op de hoeven en in de dorpen in de omgeving iets te eten gaan kopen.’ [37] Hij antwoordde hun: ‘Jullie moeten hun te eten geven.’ Ze zeiden tegen Hem: ‘Moeten we voor tweehonderd denariën* brood gaan kopen en hun te eten geven?’ [38] Maar Hij zei hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie? Ga eens kijken.’ En toen ze het waren nagegaan, zeiden ze: ‘Vijf, en nog twee vissen.’ [39] Hij* zei dat ze allemaal in groepen in het groene gras moesten gaan zitten. [40] Ze gingen zitten in groepjes van honderd en van vijftig. [41] Hij nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze onder hen uit te delen; ook de twee vissen verdeelde Hij onder allen. [42] Allemaal hadden ze volop te eten. [43] Ze haalden twaalf korven vol brokken op, en ook wat van de vis over was. [44] Het waren vijfduizend man die van het brood gegeten hadden.
Willibrordvertaling: © Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch, 1995.
De Nieuwe Bijbelvertaling: © Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, 2004.
|